Informatie over toneel

De oorsprong van toneel

Het spelen van toneel is bij de Grieken begonnen. De oude Grieken vereerden verschillende goden en een van die goden was Dionysos, de god van de wijn. Tijdens lentefeesten ter ere van Dionysos werden toneelstukken gespeeld. Later werden er stukken nagespeeld die over Griekse mythen en legenden gingen. De spelers hadden verschillende rollen en droegen maskers om te laten zien wie ze waren. Nog steeds worden twee maskers, een lachend masker en een huilend masker, gebruikt als symbool voor toneel. De Grieken speelden toneel in theaters. Dat waren tribunes in een halve cirkel die schuin omhoog liepen. Dat de tribunes schuin omhoog waren gebouwd had twee grote voordelen: Iedereen kon het toneelspel goed zien en iedereen kon het goed verstaan want deze bouw versterkte de akoestiek. De Romeinen brengen het toneel spelen verder Europa in. In Nederland en Vlaanderen houd de Rooms Katholieke Kerk zich bezig met toneelspel. Monniken en priesters beelden bijbelverhalen uit voor de kerkgangers, vaak met kerst en Pasen. Een van de eerste gevonden "toneelstukken" is een stuk over Pasen uit de tiende eeuw. Het was niet een toneelstuk zoals wij het kennen met een titel, kledingadvies en regieaanwijzingen, dat werd pas in de tweede helft van de tiende eeuw gedaan. Het toneelspel werd later ook buiten de kerk opgevoerd, het zogenaamde mirakelspel. Hier werden vaak toneelstukken gespeeld die over wonderen gingen.


Toneel in Nederland en België

Bekende toneelschrijvers in Nederland zijn Joost van den Vondel (17 november 1587 - 5 februari 1679), Pieter Corneliszoon Hooft (16 maart 1581 - 21 mei 1647) en Gebrand Adriaenszoon Bredero (16 maart 1585 - 23 augustus 1618). Zij schreven ongeveer in de zelfde periode veel toneelstukken. Ook in die tijd leefde William Shakespeare (1564 - 1616). Shakespeare schreef meer dan 37 toneelstukken en is de bekendste toneelschrijver van de wereld. Hij schreef bijvoorbeeld de toneelstukken: Hamlet, Romeo en Julia en Henry V. Zijn stukken worden nog steeds opgevoerd en sommigen zijn ook verfilmd. Voor kinderen ging men in het klein toneel spelen: poppenkast. Met de poppen werd een verhaaltje nagespeeld. Hoe we aan Jan Klaassen in onze poppenkast zijn gekomen is niet helemaal duidelijk. Sommigen denken dat het komt van Jan Claeszen in 1652, die uit Haarlem kwam. Toen hij werkeloos werd trok hij met een poppenkast naar Amsterdam en had daar veel succes. Anderen denken dat het komt van een Jan Klaassen uit 1706 die door zijn vrouw Katrijn in de steek gelaten werd. Later is hij poppenspeler geworden. In 1805 richtte Jacob Hartog Dessaur een toneelschool in Amsterdam. Nu had men in Nederland een school waar men toneel kon leren spelen.


Toneel tegenwoordig

Tegenwoordig spelen veel mensen toneel en Nederland en België. Er zijn zelfs mensen die hun beroep gemaakt hebben van toneel spelen! Maar er zijn ook veel mensen die toneelspelen als hobby hebben. Ze zitten op een toneelvereniging en voeren met elkaar een toneelstuk op. Ook op veel scholen wordt aan toneel gedaan. Dat begint al in de eerste groepen met poppenkast maar al snel spel de kinderen zelf mee. Op veel scholen zie je dat er in schoolmusicals gespeeld wordt. Vaak is het een afscheidsmusical waarin groep acht afscheid neemt van de basisschool. Deze afscheidsmusicals zijn op veel scholen een ware traditie aan het worden. Want zeg nou eerlijk: toneelspelen is leuk, voor jong en oud!

Vroeger kon je aan toneelstukken komen via drukkerijen en uitgeverijen. Die hadden stapels boekjes van de toneelstukken en musicals liggen. Tegenwoordig gaat ook veel via het Internet. Zo kun je op veel sites het toneelstuk online lezen en direct bestellen.

Bronnen:
nl.wikipedia.org
Volkscultuur.nl
Leerkracht.nl
users.skynet.be/zoekheteensop

Meer info:
Interview met toneelschrijver Maarten Stevens


Termen en begrippen in toneel

Klucht : Een grappig toneelstuk met veel rare situaties.
Blijspel : Een vrolijk toneelstuk met verschillende bedrijven, meestal drie. Aan het begin ontstaat er een probleem dat aan het eind van het stuk opgelost is.
Eenakter : Een toneelstuk uit één bedrijf of akte.
Monoloog : Een toneelstuk dat door één persoon gespeeld wordt.
Drama : Een toneelstuk over emoties of sterke gevoelens.
Detective : Een toneelstuk over het oplossen van een misdaad of moord.
Pantomime : Een manier van uitbeelden waarbij niet gesproken wordt maar door poses (houdingen), bewegingen en mimiek (gezichtsuitdrukkingen) iets uitgebeeld wordt. Soms heeft de speler witte handschoenen en een wit gezicht.
Musical : Een toneelspel, waarbij het verhaal via muziek, zang, dans en toneelspel verteld wordt.
Afscheidsmusical : Een musical die wordt gespeeld door de kinderen van groep 8 als ze van de basisschool af gaan.
Sinterklaastoneel : Toneelstuk over Sinterklaas.
Kersttoneel : Toneelstuk over Kerst.
Toneelschrijver : Schrijver of auteur van het toneelstuk.
Regisseur : De regisseur helpt spelers om hun rol beter te spelen. Hij geeft ideeën en suggesties en voorbeelden hoe je het kan spelen.
Souffleur : Iemand die tijdens het spelen tekst doorgeeft als de speler het vergeet.
Acteur : Man of jongen die toneel speelt.
Actrice : Vrouw of meisje die toneel speelt.
Repetitie : Het oefenen van een toneelstuk (of musical enzovoort).
Generale repetitie : De laatste keer het hele stuk doorspelen voor de echte uitvoering, meestal op het toneel en in kostuums).
Auditie : Een oefening voor een regisseur of jury om te kijken hoe je toneel kan spelen en of je een type voor een bepaalde rol bent. De regisseur bepaalt wie mee mag doen.
Decor : De omgeving en/of de achtergrond op het podium van het toneelstuk.
Toi toi toi : Net als "break a leg" is dat een uitroep die betekent: "veel geluk (met optreden)!"
Zichtzending : Een versie (soms een deel) van een toneelstuk om te lezen en te bekijken om een toneelstuk uit te kiezen.
Rekwisieten : Voorwerpen die nodig zijn bij het toneelspelen. Bijvoorbeeld: koffers, bekers, vazen, enz.
Affiche : Poster met daarop de aankondiging van een toneelstuk.
Regieaanwijzingen : Aanwijzingen voor de spelers, bijvoorbeeld: boos zijn, een boek pakken of angstig om je heen kijken.
Dubbelrol : Iemand die twee verschillende rollen speelt in één toneelstuk.
Personage : Een persoon of karakter in het toneelstuk.
Hoofdrol : Iemand met een belangrijke of de belangrijkste rol in het toneelstuk.
Figurant : Iemand die iets heel kleins doet, soms zonder tekst.
Bijrol : Iemand met een kleinere rol dan de hoofdrol.
Scène : Een deel van een akte of bedrijf van een toneelstuk.
Bedrijf : Een deel van het toneelstuk dat uit meerdere scènes bestaat.